Gemeente veurne

Geschiedenis van Veurne

Veurne en Veurne-Ambacht

Veurne wordt voor het eerst vermeld in 877 als Furnae, in een lijst van bezittingen van de Sint-Bertijnsabdij van St.-Omer (F). De naam zou verwijzen naar een eilandje, dat boven het moerassige, waterrijke gebied uitstak. De inwoners van Veurne noemt men Veurnaars of Veurnenaars.

Veurne is ontstaan rond een burcht, opgericht ter verdediging tegen de Noormannen op het einde van de 9de eeuw. Daarna werd het één der best versterkte plaatsen in het graafschap Vlaanderen. De gemeenschap, die rond de burcht was komen wonen, verkreeg in de 12de eeuw stadsrechten. In het Stadspark bevindt zich nog steeds de mote (burchtwarande).

Het graafschap Vlaanderen werd vanaf de 11de eeuw ingedeeld in kasselrijen. De kasselrij Veurne omvatte niet alleen het huidige ‘Bachten de Kupe’, nu het gebied tussen de Noordzee, de IJzer en de Franse grens, maar strekte zich zuidwaarts zelfs uit tot tegen Poperinge en Ieper. 42 parochies hingen er rechtstreeks van af, terwijl een achttal parochies en een tiental heerlijkheden voornamelijk financieel en militair moesten bijdragen. Met "Veurne-Ambacht" wordt het gebied van de 42 parochies bedoeld. De merkwaardige term "Ambacht" betekent dat dit gebied niet de hogere jurisdictie bezat, maar rechtskundig gezien slechts een lager echelon kon vonnissen. De hoogste justitie was voorbehouden aan de graaf zelf en zijn raad.

12e - 14e eeuw

Veurne nam in de 12de en 13de eeuw actief deel aan het economisch leven. De stad was lid van de Londense Hanze, een groepering van Vlaamse steden, die handel dreven met Londen. Door een breuk in de Vlaams-Engelse betrekkingen (1270) kwam Veurne in een crisisperiode terecht, die aansleepte tot het einde van de 16de eeuw. De stedelingen hielden er de spotnaam van "Veurnse Slapers" aan over.

Uit deze periode dateren de Veurnse kerken. De Sint-Walburgakerk is ontstaan uit de grafelijke O.-L.-Vrouwkapel en in de 10de eeuw verrijkt met relieken van St.-Walburga. Het gotisch koor uit de 13de eeuw werd gerestaureerd na een brand in 1353. Het gewelf is 23 meter hoog en geeft een grootse indruk. Het dwarsschip werd toegevoegd vanaf 1902. De kerk is rijk gemeubeld en bevat o.m. een koorgestoelte in Vlaamse Renaissance, 16de-17de eeuw, en talloze schilderijen en beelden. Er wordt een relikwie van het H. Kruis bewaard. De Sint-Walburgatoren (ca. 1350) werd nooit voltooid. De basis ervan werd later gebruikt als kruitmagazijn en waterbak (citerne). De Sint-Niklaastoren dateert uit de 13de en 14de eeuw en herbergt de stadsbeiaard (47 klokken) met het "Bomtje", een klok uit 1379. Het schip van de gelijknamige kerk dateert van ca. 1500. De kerk bezit een triptiek van Bernard van Orley (1526).

15e - 17e eeuw

In de 15de en 16de eeuw werd de streek geteisterd door tal van oorlogen. Zo gingen heel wat kunstwerken in kloosters en kerken verloren door de vernielingen van beeldenstormers en gereformeerden. Nochtans heeft men in de 15de eeuw nog de bouw van het Spaans Paviljoen aangevat. De hoektoren, het donjongedeelte, werd gebouwd ca. 1450 als stadhuis van Veurne. De vleugel in de Ooststraat werd aangebouwd ca. 1530. Later werd het gebouw het hoofdkwartier van de Spaanse officieren in de 17de eeuw, vandaar de naam.

In 1586 werden de twee besturen, die tot dan toe te Veurne bestonden, dat van de Stad en dat van de Kasselrij, verenigd. Samen met de regering van Albrecht en Isabella (1598-1621) bracht dit een periode van grote bloei en welvaart voor de stad en de streek. Uit deze tijd dateren heel wat historische gebouwen.

In de noordwestelijke hoek van de Grote Markt treffen we een fraai renaissancecomplex: het landhuis, met zijn conciërgerie en belforttoren. Na de Belgische onafhankelijkheid werd de conciërgerie stadhuis. Dit sierlijke gebouw met zijn Vlaamse Renaissance-gevels bestaat uit twee delen (1596 en 1612). Een mooie pui vormt een prachtig geheel met dit complex. De zalen van het Stadhuis zijn bekleed met Mechels goudleder, en bevatten merkwaardige schilderijen, zoals portretten van de Aartshertogen Albrecht en Isabella , een "Laatste Oordeel", en een unieke collectie bronzen gerechtigheidsvoorwerpen uit de 16de eeuw. Het landhuis zelf dateert uit 1612-1623, en diende als zetel van het kasselrijbestuur. Later werd het gerechtsgebouw (tot 1982). In de Stenen Zaal op de eerste verdieping vinden we een prachtige schouw. In de vroegere zittingszaal vallen vooral de oude eiken muurbekleding, alsook de eiken meubels op. In de voormalige kapel hangen twee werken van Paul Delvaux.

Het landhuis wordt bekroond door een zwierige toren in gotische stijl met een barokke bekroning: het belfort (1628). Deze pas gerestaureerde toren behoort samen met de andere Belgische belforten tot het werelderfgoed van de Unesco.

De Hoge Wacht is eveneens een gebouw in Renaissancestijl, in 1636 opgetrokken als herberg. Later werd het gekocht door de stadsmagistraat en als wachthuis ingericht. De rijhuizen met trapgevels aan de noordkant van de Grote Markt en de Oude Vleeshalle dateren eveneens uit die tijd, net zoals ettelijke andere huizen her en der in Veurne, en het kasteel Beauvoorde dat in Wulveringem werd opgetrokken door Antoon de Bryarde. Op het einde van de 19de eeuw werd het waterkasteel grondig gerestaureerd door Arthur Merghelynck. Hij schonk het bij testament aan de Belgische Staat, die het ter beschikking van de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde moest stellen. Thans wordt het beheer verzorgd door de Stichting Vlaams Erfgoed. De laatgotische Onze-Lieve-Vrouwkerk te Wulveringem, tegenover het kasteel, heeft slechts twee beuken. Ze werd in de 15de-16de eeuw aangebouwd tegen een Romaanse kruiskerk, waarvan nog sporen merkbaar zijn.

De kerk heeft een dakruitertoren en is zeer rijk gemeubeld. De Onze-Lieve-Vrouwkerk te Houtem is een gotische hallenkerk uit de 15de-17de eeuw met een zware westertoren en heeft nog restanten van de oudere romaanse kerk. Ze staat mooi ingekaderd in het kerkhof, vlakbij de pastorie in Vlaamse Renaissance.

Wenzel Cobergher was een veelzijdig man; oudheidkundige, econoom, scheikundige, numismaat, architect, schilder, ... Hij organiseerde de Bergen van Barmhartigheid, die goedkope leningen verstrekten. In 1604 werd hij hofarchitect van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Zijn meest impressionante verwezenlijking was de drooglegging van De Moeren, een uitgestrekt moerassig gebied, nu voor 1/3 in België en voor 2/3 in Frankrijk, dat hij voor het eerst in vruchtbare poldergrond wist om te zetten. Op het einde van de 17de-eeuwse bloeiperiode van Veurne richtte Jacob Clou, een norbertijn uit de Veurnse Sint-Niklaasabdij, in 1637 de eerste Boetprocessie in. Met zijn Sodaliteit organiseerde hij toen al een tijdlang de Vastenkruisweg. De expansieoorlogen van Lodewijk XIV van Frankrijk en de Spaanse successieoorlogen brachten in de tweede helft van de 17de eeuw weer verwoestingen en lijden.

18e eeuw tot WOI

De stad kon herademen onder Maria-Theresia van Oostenrijk en Karel van Lorreinen. Herinneringen aan deze periode vormen talrijke classicistische gebouwen, zoals het St.-Janshospitaal of het vroegere arrondissementscommissariaat. Onder Jozef II, die op 10 juni 1781 in Veurne overnachtte, werden de beschouwende kloosters en geestelijke broederschappen afgeschaft, waardoor de Sodaliteit in moeilijkheden raakte en de Boetprocessie niet kon uitgaan. Pas in 1790, onder keizer Leopold II, werd dat weer mogelijk.

Toen kwam de Franse Revolutie en de stad werd door verschillende invallen geteisterd. De resterende kloosters werden afgeschaft. Ternauwernood kon de verkoop van de St.-Walburgakerk met zijn 13de-eeuws koor verhinderd worden, doordat de bevolking op de valreep genoeg geld kon inzamelen om zelf haar kerk te kopen. Na de Slag van Waterloo en de vereniging met Nederland (1815) kende Veurne een tijd van rust. Het was de eerste Belgische stad die de eer had Leopold I als Koning der Belgen te verwelkomen.

WO I tot WO II

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) plooide het Belgische leger zich voor de Duitse aanvallen tot achter de IJzer terug. Op aanwijzen van Veurnaar Karel Cogge, toezichter bij de Noordwatering van Veurne, werd de IJzervlakte door de Nieuwpoortse schipper Hendrik Gheeraert en de Genietroepen tot overstroming gebracht. De Belgen verschansten zich daarop achter de spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide, met vier jaren stellingenoorlog als gevolg.

Tijdens die IJzerslag maakte koning Albert I van het Stadhuis van Veurne zijn militaire hoofdkwartier, waar hij o.m. de Franse president en de Engelse koning ontving. Vanaf januari 1915 werd dat overgebracht naar de pastorie van Houtem, en dat tot het eindoffensief tegen de Duitsers in 1918. Vlakbij kwam er een vliegveld. De koninklijke familie logeerde in De Panne, maar toen dit deel uit ging maken van de Engelse sector, die het uitgeputte Belgische leger versterkte, verhuisde de koninklijke familie op 16 augustus 1917 naar het Kasteel Sint-Flora in De Moeren. Het was dus naar Houtem en De Moeren dat de geallieerde bevelhebbers zich voortaan begaven.

Om het behoud van Veurne te waarborgen, werden speciale maatregelen genomen, zodat militairen de stad niet meer hoefden te betreden. Toch slikte de stad wat voltreffers die enkele historische monumenten vernietigden (heropgebouwd ca. 1920). Regelmatig kwamen de koning en de koningin polshoogte nemen vanop de Sint-Niklaastoren. De oorlogsregio trok een aantal literatoren aan, maar ook Marie Curie bezocht met haar dochter Veurne om er in het College de werking van röntgen-apparatuur te demonstreren.

Het College werd in die tijd gebruikt als hospitaal. Later werd in Vinkem een legerhospitaal opgericht door dokter Lepage, vanuit het bekende hospitaal "l'Océan" in De Panne. Het was hier dat de bekende Vlaamse kunstenaar Joe English overleed. De koningin zorgde er dan weer persoonlijk voor dat er in Wulveringem scholen kwamen voor kinderen, die door de ouders niet aan de schoolkolonies in het buitenland toevertrouwd werden.

Na 1918 verzonken Veurne en Houtem, beide even het centrum van het vrije België, weer tot hun vooroorlogse rust. Oorlogsschade werd ongedaan gemaakt en de Franse president Poincaré kwam in 1920 persoonlijk aan de stad het Franse Oorlogskruis met Palm overhandigen. De Suikerfabriek, overgebracht uit het verwoeste Komen-Waasten, werd de eerste industriële speler van betekenis, Maar verder verliep het Interbellum, dat de achtergrond vormde voor Simenons bekende roman "De burgemeester van Veurne", vrij rustig.

WO II tot heden

In mei 1940, bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, werd Veurne heftig verdedigd door de Engelsen bij hun aftocht langs Duinkerke, na de capitulatie van het Belgische leger. Dagenlang schuilden angstige Veurnaars in de Citerne (de onvoltooide westertoren van de Sint-Walburgakerk in het stadspark), terwijl de stad zwaar beschadigd werd. Dit leidde er toe dat op 1 juli 2004 Veurne officieel opgenomen werd op de lijst van 'stad of gemeente slachtoffer van oorlogsfeiten 1940-1945', en hiertoe van het Ministerie van Landsverdediging een erediploma met herinneringslint ontving.

Bij het begin van de oorlog, maar vooral op het einde, werden om strategische redenen grote delen van het Veurnse ommeland onder water gezet. Vooral voor de Moeren, een erg vruchtbaar gebied, was het zilte zeewater desastreus.

In de jaren die volgden, bleef Veurne een centrumstadje, met vanouds de zetel van rechterlijke en financiële diensten, maar met ook een regionale functie op het vlak van handel, verzorging (ziekenhuis), onderwijs enz. Pas vanaf de '60-er jaren, en onder impuls van diverse overheidsinitiatieven, kwam er betere wegeninfrastructuur (A12, electrificatie van de spoorweg) en werden industrieterreinen ingericht, die nog steeds in sterke mate geënt zijn op het agrarische ommeland. Ook de kansen voor het toerisme werden ontdekt.

Vandaag is Veurne een aangename stad met tien landelijke deelgemeenten, nauwelijks 12.000 inwoners rijk. De oude stadskern bezit een merkwaardig patrimonium met twee kerken, waarvan vooral de Sint-Walburgakerk zeer mooi is. Het Stad- en Landshuis zijn prachtige voorbeelden van de regionale renaissance-interpretatie, en her en der in de stad vind je particuliere gebouwen uit vooral de 18de eeuw terug, opgetrokken in de gele baksteen van de streek, en soms in een zeer mooie uitwerking. De deelgemeenten herinneren in hun oude hoeves, statige kerken, en zelfs enkele molens en een waterkasteel, aan hun rijke verleden.

LCP